tip

tip

Voorbeeld afschrijving vaste activa vanaf 1-1-2007

In onderstaande tabel wordt een voorbeeld gegeven van het afschrijven over onroerend goed vanaf 1-1-2007. Aandachtspunten hierbij zijn dat onroerend goed doorgaans bestaat uit minimaal 2 objecten zijnde de ondergrond en opstal, waarbij alleen over laatstgenoemde wordt afgeschreven. De ondergrond is echter van belang om de boekwaarde van gehele object te toetsen aan de WOZ waarde die fungeert als een bodemwaarde. Als er sprake is van vehuurd onroerend goed dan is de bodemwaarde gelik aan 100% van de WOZ waarde, is er sprake van 'eigen gebruik' dan is de bodemwaarde gelijk aan 50% van de WOZ waarde.

Voorbeeld afschrijvingsbeperking onroerend goed (verhuurd pand)

activum datum inv investering afs-perc boekwaarde 1-1-2007 norm afschrijving
gebouw 1-7-2003 733.525 4% 630.700 25.228
ondergrond 1-7-2003 62.500 0% 62.500 0
parkeerplaats 29-6-2004 10.500 12.5% 7209 902




700.409 26.130
woz waarde


695.818 beperking
afs - ruimte


4.591 21.539

Een investering van 21.000,- in bv een verbouwing, zou in een jaar afgeschreven kunnen worden.

Tags: 
tip

Investeringsaftrek

Investeringsaftrek kunt u aftrekken van de winst waardoor u minder belasting betaald. Er zijn 3 soorten investeringsaftrek waar u als ondernemer mogelijk gebruik van kunt maken. Het artikel begint echter met een opsomming van activa waarvoor geen investringsaftrek toegepast mag worden.

  • 1. de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
  • 2. de energie-investeringsaftrek
  • 3. de milieu-investeringsaftrek

Geen recht op investeringsaftrek.

Voor sommige investeringen hebt u geen recht op investeringsaftrek. Het gaat dan om:

•investeringen in bepaalde bedrijfsmiddelen, zoals woonhuizen, grond, dieren, personenauto's die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer, vaartuigen voor representatieve doeleinden, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen
En ook: bedrijfsmiddelen die zijn bestemd voor verhuur of voor gebruik in het buitenland, en bedrijfsmiddelen die minder dan € 450 per stuk kosten.
•bedrijfsmiddelen zoals gereedschap die u van uw privévermogen overbrengt naar het vermogen van uw onderneming
•investeringen waarvoor u verplichtingen aangaat tegenover personen die behoren tot uw huishouden, bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden
Als u bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel koopt van uw vader, hebt u geen recht op investeringsaftrek.
•als u een besloten vennootschap (bv) hebt: investeringen waarvoor de bv verplichtingen aangaat tegenover personen of rechtspersonen (bijvoorbeeld bv's en nv's) die een nauwe band met uw eigen bv hebben
Als u bijvoorbeeld aandeelhouder bent van een bv en u verkoopt een bedrijfsmiddel aan de bv, dan heeft de bv geen recht op investeringsaftrek. Ook in de omgekeerde situatie – u bent de ondernemer en u koopt een bedrijfsmiddel van de bv waarvan u aandeelhouder bent – bestaat in principe geen recht op investeringsaftrek.

Let op!

In de laatste 2 situaties kunt u verzoeken om ontheffing voor de uitsluiting van de investeringsaftrek. Bel voor meer informatie de BelastingTelefoon.

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Als u in 2010 een bedrag tussen € 2.200 en € 300.000 investeert in bedrijfsmiddelen voor uw onderneming, dan kunt u in aanmerking komen voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. De bedrijfsmiddelen waarin u investeert, moeten dan wel in aanmerking komen voor investeringsaftrek.
Vanaf 2010 komen zeer zuinige personenauto’s in aanmerking voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Een personenauto is zeer zuinig als de CO2-uitstoot niet meer dan 95 gram per kilometer is bij dieselmotoren of niet meer dan 110 gram per kilometer bij andere personenauto’s. Ook elektrische auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer vallen hieronder.

Hoe hoog de investeringsaftrek is, hangt af van uw totale investeringen in een jaar.

Tabel: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in 2010

Investering Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Niet meer dan € 2.200

0%

€ 2.201 t/m € 54.000

28% van het investeringsbedrag

€ 54.001 t/m € 100.000

€ 15.120

€ 100.001 t/m € 300.000

€ 15.120 verminderd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat hoger is dan € 100.000

Meer dan € 300.000

€ 0

De energie-investeringsaftrek.

Het doel van de energie-investeringsaftrek (EIA) is het stimuleren van investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen of in duurzame energie. De regeling is bedoeld voor ondernemers die in Nederland inkomsten- of vennootschapsbelasting betalen.

U vindt alle informatie om EIA aan te vragen op de website van AgentschapNL.

De milieu-investeringsaftrek.

De MIA is een fiscale aftrekregeling voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Dergelijke investeringen bieden namelijk direct financieel voordeel, doordat 15, 30 of 40% van de investeringskosten (naast de afschrijving) aftrekbaar is van de fiscale winst. De VAMIL biedt een liquiditeits- en rentevoordeel, doordat de afschrijving naar voren kan worden geschoven en de heffing wordt uitgesteld. De MIA en de VAMIL kunnen naast elkaar worden toegepast.

U vindt alle informatie om MIA/VAMIL aan te vragen op de website van AgentschapNL.

Bron: belastingdienst

Tags: 
tip

Bezwaar WOZ beschikking bedrijfspand

Maak tijdig bezwaar tegen WOZ-beschikking bedrijfspand

Eén keer per jaar vindt de ondernemer voor het bedrijfspand weer het jaarlijkse aanslagbiljet gemeentelijke heffingen in zijn brievenbus. In dat aanslagbiljet is ook de WOZ-beschikking opgenomen. De WOZ-waarde is van groot belang voor de afschrijvingsbeperking van gebouwen.
Daarbij wordt voor het jaar 2009 uitgegaan van de waarde per 1 januari 2008.
Wanneer iemand het niet eens is met de waardebepaling van het bedrijfspand, dan kan diegene tot zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet gemeentelijke heffingen bezwaar maken tegen de WOZ-beschikking.

Hoger bodemwaarde leidt tot lager afschrijvingspotentieel

Sinds 1 januari 2007 geldt voor ondernemingen bij de heffing van vennootschaps- en inkomstenbelasting een afschrijvingsbeperking voor gebouwen(zie: De regels over afschrijving op vastgoed op een rij). De voor de afschrijvingsbeperking geldende bodemwaarde is gebaseerd op de WOZ-waarde. Daarmee is het belang van de WOZ-waarde sinds 1 januari 2007 sterk vergroot. Een hogere WOZ-waarde leidt immers tot een hoger bodemwaarde en dus tot een lager afschrijvingspotentieel.

Let op

Met ingang van 1 januari 2005 is in de Wet WOZ een marge opgenomen waarbinnen de waarde wordt geacht juist te zijn(zie ook: Rekenmodel bezwaarmarge WOZ). De marge is afhankelijk van de waarde van het onroerend goed.WOZ-waarde
Waarde wordt geacht juist te zijn binnen een marge van:

Ten hoogste € 200.000
5% van de WOZ-waarde

Meer dan € 200.000, maar niet meer dan € 500.000
4% van de WOZ-waarde met een minimum van € 10.000

Meer dan € 500.000, maar niet meer dan € 1.000.000
3% van de WOZ-waarde met een minimum van € 20.000

Meer dan € 1.000.000
2% van de WOZ-waarde met een minimum van € 30.000

Tags: 
tip

Afschrijven ?

Wat is afschrijven ?

Investeren is het aanschaffen van bedrijfsmiddelen die een levensduur hebben van meer dan één jaar en een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Door de belastingdienst wordt de grens voor de aanzienlijke waarde op minimaal 450 exclusief omzetbelasting aangehouden.

Wel of geen investering?
Een uitgave onder de 450 is geen investering. De aanschaf van een printer van 349 moet daarom direct als kosten worden geboekt. Over dit bedrag kan ook geen investeringsaftrek worden toegepast. Echter, als de printer samen met (of kort na) de aanschaf van een computer van 1000 plaatsvindt, wordt het geheel wél gezien als investering, in dit geval ten bedrage van 1349.

Afschrijven

Investeringen worden niet in het jaar van aanschaf als kosten geboekt. De aanschafkosten worden verdeeld over de jaren van het gebruik en telkens voor een gedeelte als kosten geboekt. Om de jaarlijkse afschrijving te bepalen moet u weten wat de aanschafkosten zijn. Hoeveel jaar u het bedrijfsmiddel precies gaat gebruiken is niet zo belangrijk. De fiscus schrijft precies voor in hoeveel jaar afgeschreven moet worden. Wel is de geschatte restwaarde van het bedrijfsmiddel nog van belang. Er zijn verschillende afschrijvingsmethoden, maar meestal wordt de lineaire methode gebruikt. Daarbij schrijft u elk jaar een vast bedrag af, totdat de restwaarde is bereikt.

Geen investering, dan ook niet afschrijven

Lang niet alle uitgaven boven de 450 zijn aan te merken als investering. Denk aan uitgaven voor huur, salariskosten, maar ook de kosten voor scholing. Een cursus van 2.000 waar u jarenlang plezier van hoopt te hebben, wordt door de fiscus niet als investering gezien en moet fiscaal direct worden afgeboekt. Investeringsaftrek is daarom niet mogelijk.

Regels voor afschrijven: Vaste Afschrijvingstermijnen

Op nieuwe investeringen gelden vaste afschrijvingstermijnen:
- Roerende goederen mogen worden afgeschreven in 5 jaar, dus met maximaal 20% van de aanschaffingswaarde.
- Onroerend goed dat in het bedrijf gebruikt wordt mag tot 50% van de WOZ-waarde worden afgeschreven.
- Onroerend goed ten behoeve van een belegging mag tot hoogstens 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven.
- Goodwill mag hoogstens in 10 jaar worden afgeschreven.
- Computers mogen dus niet meer in 3 jaar worden afgeschreven, zoals vaak de praktijk was, maar in 5 jaar.
Echter, als een computer na 3 jaar naar de sloop gaat, dan mag de resterende waarde (40%) direct als kosten worden geboekt.
De afschrijving die u in de eerste drie jaren feitelijk te weinig heeft geboekt, komt dan als kostenpost in dat derde jaar terecht.

Tags: 
tip

Afschrijving: nieuwe standpunten 18-03-2010

Afschrijving op bedrijfsmiddelen: nieuwe standpunten

Minister De Jager van Financiën heeft een nieuw besluit gepubliceerd over de afschrijving op bedrijfsmiddelen. In het besluit zijn nieuwe standpunten opgenomen over de afschrijving op verhuurde personeelswoningen, immateriële activa, gebouwen en onderhanden werk.

Berekening maximale afschrijving

Het jaarlijkse afschrijvingsbedrag is wettelijk gemaximeerd. Voor goodwill geldt op jaarbasis een maximale afschrijving van 10% en voor de overige bedrijfsmiddelen een maximale afschrijving van 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het desbetreffende bedrijfsmiddel. Bij de bepaling van dit wettelijke afschrijvingsplafond behoort de restwaarde van het bedrijfsmiddel niet in mindering te worden gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten. Dit dus in tegenstelling tot bij de berekening van het jaarlijkse afschrijvingsbedrag.

Wettelijk afschrijvingsplafond

Stel een bv schaft een bestelwagen aan voor € 20.000. De restwaarde van dit bedrijfsmiddel bedraagt € 5.000. De gebruiksduur van dit bedrijfsmiddel is drie jaar. De ondernemer wenst de wagen in drie jaar af te schrijven. Het jaarlijkse bedrag van de afschrijving is € 5.000 ((20.000 – 5.000)/3. De maximaal toegestane afschrijving bedraagt € 4.000 (20% × 20.000). Aangezien het afschrijvingsbedrag het wettelijke afschrijvingsplafond overschrijdt, mag de bv voor de bestelwagen op jaarbasis slechts € 4.000 als afschrijving in aftrek brengen. Het restant (€ 3.000) mag in het vierde jaar worden afgeschreven.

Voortbrengingskosten immateriële activa

Voortbrengingskosten van immateriële activa kunnen ‘in het kalenderjaar van voortbrenging’ ineens worden afgeschreven. Het betreft hier een fiscale faciliteit in afwijking van goed koopmansgebruik die sinds 1 januari 2007 van toepassing is. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over het jaar waarin bovengenoemde kosten ineens kunnen worden afgeschreven.

Onduidelijkheid

Bij de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer van het Wetsvoorstel ‘Werken aan winst’ staat over voortbrengingskosten die na 1 januari 2007 zijn gemaakt: ‘al deze voortbrengingskosten mogen in het kalenderjaar waar zij aan toe te rekenen zijn ineens ten laste van de winst worden gebracht’. Dit antwoord wekt de indruk dat de kosten niet eerder ten laste van de winst kunnen worden gebracht dan het jaar waarin het activum zijn nut afwerpt.

Afschrijving voortbrengingskosten

De bedoeling is echter afschrijving ineens toe te staan in het jaar waarin de voortbrengingskosten zijn gemaakt. Wanneer in 2007 en volgende jaren gemaakte kosten – na activering als (te matchen) voortbrengingskosten – niet ten laste van de winst zijn gebracht, betekent het bovenstaande dat de belastingplichtige niet heeft gekozen voor de in de Wet inkomstenbelasting opgenomen faciliteit en dat de kosten (evenals vóór 2007 geactiveerde kosten) pas na ingebruikname van het activum op grond van het normale afschrijvingsregime ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Inhaalafschrijving

Gelet op doel en strekking van de regeling vindt de minister het echter geen bezwaar om voortbrengingskosten die op een eerder moment ten laste van de winst hadden kunnen worden gebracht, op een later moment maar niet later dan het jaar van ingebruikname, alsnog ineens af te schrijven. Het moet wel kosten betreffen die in 2007 of later zijn gemaakt en er moet geen incidenteel fiscaal voordeel zijn beoogd.

Onderhanden werk en opdracht

Onderhanden werk wordt sinds 2007 gewaardeerd op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding dat aan dat onderhanden werk is toe te rekenen. Deze activeringsplicht heeft betrekking op de vergoeding voor het aangenomen werk en niet op de voor het aangenomen werk gemaakte kosten. Vanwege de activering van de vergoeding komen de kosten van het aangenomen werk via de winst- en verliesrekening in beginsel in aftrek in het jaar waarop zij drukken.

Aftrekbeperking

Deze aftrek lijdt uitzondering als een aftrekbeperking van toepassing is. Zo komt rente die betrekking heeft op onderhanden werk, en die op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting van aftrek is uitgesloten, dan ook niet in aftrek. De fiscale regeling voor de waardering van onderhanden werk en onderhanden opdrachten brengt mee dat het activeren van de (rente)kosten en het erop afschrijven niet aan de orde is.

Toepassing afschrijvingsregels gebouwen

Bij de afschrijving op gebouwen die binnen een onderneming worden gebruikt geldt een aantal beperkende regels. Eén van die regels is kortweg dat afschrijving slechts mogelijk is voor zover de boekwaarde van het gebouw hoger is dan een bepaald percentage van de WOZ-waarde van dit gebouw (bodemwaarde).

Ook voor economisch eigenaar

De belastingplichtige die afschrijft op een gebouw dient rekening te houden met boven genoemde afschrijvingsbepalingen. Dit geldt met name voor degene die de volle eigendom bezit maar ook voor degene die volledig economisch eigenaar is van een (deel van een) gebouw. Het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van een gebouw worden namelijk volledig door deze belastingplichtigen gedragen.

Eén WOZ-waarde – meer onroerende zaken

De afschrijvingsbeperking in de Wet inkomstenbelasting geldt voor gebouwen, niet voor andere onroerende zaken. In bepaalde bedrijfssectoren, waaronder de verblijfsrecreatieparken, geeft de gemeente vaak één WOZ-beschikking af voor het gehele bedrijf. Als de waarde die in deze beschikking wordt genoemd, betrekking heeft op de gezamenlijke waarde van meer onroerende zaken inclusief gebouwen, moet op de volgende manier rekening worden gehouden met de afschrijvingsregels van deze paragraaf.

Splitsing WOZ-waarde

De WOZ-waarde die betrekking heeft op het gehele object moet worden gesplitst. De splitsing geschiedt in gedeelten van de WOZ-waarde die aan (elk van) de gebouwen in het bedrijf moet worden toegerekend en gedeelten die betrekking heeft op andere onroerende zaken. De eerstgenoemde afzonderlijke gedeelten van de WOZ-waarden zijn dan relevant voor de toepassing van de afschrijvingsbeperking gebouwen.

Personeelswoningen

De kwalificatie van een woning als een ‘gebouw in eigen gebruik’ dan wel als een ‘ter beschikking gesteld gebouw’ is van belang voor het maximale afschrijvingsbedrag. Op het eerstgenoemde gebouw kan namelijk worden afgeschreven tot 50% van de WOZ-waarde terwijl op het andere gebouw tot maximaal 100% van de WOZ-waarde kan worden afgeschreven. Personeelswoningen zijn ter beschikking gestelde gebouwen. Personeelswoningen zijn daarom slechts afschrijfbaar tot op 100% van de WOZ-waarde van het gebouw.

Overgangsrecht afschrijving gebouwen; drie jaren

Er is een overgangsregeling getroffen voor de afschrijvingsbeperking op gebouwen. Deze regeling kan de belastingplichtige toepassen als sprake is van gebouwen die vóór 1 januari 2007 tot het ondernemingsvermogen behoorden en waarop de belastingplichtige vóór 1 januari 2007 heeft afgeschreven maar nog niet gedurende ten minste drie jaren. Volgens de overgangsregeling vindt de afschrijvingsbeperking op gebouwen voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die drie jaren zijn geëindigd.

Drie jaren

Niet duidelijk is of onder ‘drie jaren’ moet worden verstaan drie hele boekjaren. Vanwege deze onduidelijkheid keurt de minister goed dat, als een bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2007 in gebruik is genomen, na het boekjaar van ingebruikneming nog drie (hele) boekjaren 'op de oude voet' kan worden afgeschreven.

Afschrijvingsbeperking vanaf 2010

Stel dat een bedrijfsmiddel op 1 juli 2006 in gebruik is genomen (boekjaar gelijk aan kalenderjaar). De afschrijvingsbeperking op gebouwen vindt dan dus voor het eerst toepassing in het boekjaar 2010.

(ingebouwd in activa manager plus)

Tags: 
tip

Afschrijvingen, regels vanaf 1-1-2007

De regelgeving over de fiscale afschrijving van onroerende zaken, goodwill en bijvoorbeeld machines en IT-apparatuur is per 1 januari 2007 fors gewijzigd. Er geldt een beperkt overgangsrecht. Waaruit bestaan de nieuwe regelgeving en het overgangsrecht in grote lijnen, waarmee moet u rekening houden?

De regelgeving over de fiscale afschrijving van onroerende zaken, goodwill en bijvoorbeeld machines en IT-apparatuur is per 1 januari 2007 fors gewijzigd. Er geldt een beperkt overgangsrecht. Waaruit bestaan de nieuwe regelgeving en het overgangsrecht in grote lijnen, waarmee moet u rekening houden?

Afschrijving van gebouwen

De fiscale afschrijving van gebouwen wordt beperkt (de bepaling van de afschrijvingssystematiek verandert niet). Na de bepaling van de jaarlijkse afschrijvingslast (op basis van goed koopmansgebruik) moet een additionele toets plaatsvinden of een fiscale afschrijvingslast mogelijk is. Bij afschrijving op een gebouw worden opstal, ondergrond en aanhorigheden als één geheel beschouwd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beleggingspanden en panden in eigen gebruik:

•Gebouwen die worden verhuurd aan derden (beleggingspanden) zijn slechts afschrijfbaar totdat de boekwaarde van het pand inclusief de ondergrond de WOZ-waarde heeft bereikt. Dit betekent dat afschrijving van deze beleggingspanden slechts is toegestaan indien de boekwaarde hoger is dan de WOZ-waarde.
•Overige gebouwen (panden in eigen gebruik) zijn slechts afschrijfbaar totdat de boekwaarde van het pand inclusief de ondergrond 50% van de WOZ-waarde heeft bereikt.

Overgangsrecht voor gebouwen

Volgens het geldende overgangsrecht mag in totaal nog maximaal 3 jaar volgens de huidige regels worden afgeschreven voor panden waarop op het moment van inwerkingtreden van het wetsvoorstel niet langer dan 3 jaar is afgeschreven. Dat betekent dat voor panden waarop voor het eerst is afgeschreven in 2004, 2005 of 2006, nog mag worden afgeschreven naar huidig recht tot respectievelijk 2007, 2008 of 2009.
Als de fiscale boekwaarde per 1 januari 2007 lager is dan de bodemwaarde (WOZ-waarde), dan wordt niet teruggekomen op de afschrijvingen in het verleden.

Afschrijving van goodwill: ten minste 10 jaar

De termijn voor afschrijving op goodwill wordt op ten minste 10 jaar gesteld. De termijn kan langer zijn als de goodwill gedurende een langere periode resultaten oplevert. Anderzijds kan binnen de periode van 10 jaar afwaardering plaatsvinden voor zover de bedrijfswaarde van de goodwill lager is dan de boekwaarde.

Afschrijving van overige bedrijfsmiddelen: ten minste 5 jaar

De afschrijvingstermijn voor overige bedrijfsmiddelen, zoals machines en ICT apparatuur, wordt gesteld op ten minste 5 jaar. Uiteraard zal in geval van bedrijfsmiddelen die gedurende een kortere periode als bedrijfsmiddel aanwezig zijn, bij vervreemding dan wel het tenietgaan op dat tijdstip de resterende waardevermindering fiscaal ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Overgangsrecht voor goodwill en overige bedrijfsmiddelen

De resterende afschrijving op goodwill en overige bedrijfsmiddelen wordt volgens de overgangsregeling naar evenredigheid verdeeld over de nog resterende jaren volgens het nieuwe afschrijvingssysteem. Voorbeeld: op een goodwill die is aangeschaft in januari 2005 voor 100.000 is in twee jaar 40% afgeschreven. De resterende afschrijving is 60.000. Deze wordt in de resterende 8 jaren afgeschreven, ofwel 7.500 per jaar.

Als tweede voorbeeld een afschrijving tot op restwaarde. Een auto wordt aangeschaft in januari 2005 voor 39.000, waarop in 4 jaar wordt afgeschreven tot een restwaarde van 3.000. Op 1 januari 2007 heeft deze auto, bij een lineaire afschrijving van 9.000 per jaar, een boekwaarde van 21.000. Uitwerking onder de overgangsregeling is als volgt. Vóór 1 januari 2007 is reeds 2 jaar afgeschreven. Maximaal mag dan in de resterende drie jaren telkens eenderde van de boekwaarde per 1 januari 2007 worden afgeschreven. De afschrijving in 2007 en 2008 is dan 7.000. In 2009 resteert nog een afschrijving van 4.000, waarmee de restwaarde van 3.000 wordt bereikt.

Bovenstaande regelgeving is geïmplementeerd in Activa Manager plus.

Tags: 
tip

BV mag ten onrechte niet toegepaste afschrijving inhalen

Een bv heeft in de jaren 1993-2001 niet op een onroerende zaak afgeschreven. Rechtbank Arnhem beslist dat de bv hierdoor niet in overeenstemming met de wet en goed koopmansgebruik heeft gehandeld. Omdat er sprake is van een afschrijvingsfout is de foutenleer van toepassing en kan de bv alsnog een extra afschrijving van ruim € 1,5 miljoen euro in mindering brengen op de belastbare winst van 2002.

Bedrijfsverzamelgebouw

De bv koopt in 1986 een onroerende zaak. Ze maakt de onroerende zaak geschikt voor de verhuur. In 1992 is de onroerende zaak gereed om als bedrijfsverzamelgebouw te worden verhuurd. Tot en met 1991 wordt afgeschreven op basis van 10% van de boekwaarde. In 1992 wordt besloten om - met terugwerkende kracht - af te schrijven op basis van de aanschafwaarde. Op de gebouwen wordt 3% afgeschreven en op de installaties 10%. Dit leidt in 1992 tot een incidentele bate.

Geen afschrijving

Vanaf 1993 wordt de boekhouding van de bv door een nieuwe adviseur gedaan. Vanaf dat moment wordt niet meer afgeschreven op het bedrijfsverzamelgebouw. In 2002 - bij de overgang naar een nieuwe adviseur - wordt een extra afschrijving van ruim € 2 mln meegenomen in verband met het niet afschrijven op het bedrijfsverzamelgebouw. De inspecteur accepteert de extra afschrijving niet.

Geen restwaarde

De rechtbank overweegt dat zowel de bv als de inspecteur in 1992 bij het bepalen van de afschrijvingspercentages zijn uitgegaan van een restwaarde van de gebouwen en installaties van nihil. De rechtbank kan de inspecteur dan ook niet volgen in zijn stelling dat er geen ruimte meer is voor afschrijving gelet op de restwaarde van de bijgebouwen.

Goed koopmansgebruik

De rechtbank is van mening dat de bv niet in overeenstemming met de wet en goed koopmansgebruik heeft gehandeld door in de jaren 1993-2001 niet op de onroerende zaak af te schrijven. Volgens de rechtbank is er sprake van een afschrijvingsfout zodat de foutenleer van toepassing is.

Foutenleer

Als de foutenleer van toepassing is dan moet de fout worden hersteld in het oudste nog openstaande jaar. Nu 2002 het oudste nog openstaande jaar is en over de jaren 1993 tot en met 2001 geen navorderingsaanslag meer kan worden opgelegd, dient de extra afschrijving van € 1.590.948 in dat jaar te worden toegepast.

Tags: 
tip

Vrijval herinvesteringsreserve

Vrijval herinvesteringsreserve

Bron: Overig | jurisprudentie | LJNBG2064, AWB 06/3166 | 16-11-2008

De belastingheffing over de bij verkoop van een bedrijfsmiddel behaalde boekwinst kan worden uitgesteld door de vorming van een herinvesteringsreserve. De reserve wordt als eerste afschrijving afgeboekt op investeringen in andere bedrijfsmiddelen.

Alleen bij bedrijfsmiddelen waarop niet wordt afgeschreven en bedrijfsmiddelen met een afschrijvingsduur van meer dan tien jaar geldt als eis dat de nieuwe bedrijfsmiddelen dezelfde economische functie in de onderneming moeten hebben als de verkochte bedrijfsmiddelen. Deze eis wordt gesteld om te voorkomen dat de belastingheffing over de gerealiseerde meerwaarde van een bedrijfsmiddel voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld door de meerwaarde door te schuiven naar een niet-afschrijfbaar bedrijfsmiddel of naar een bedrijfsmiddel met een langere afschrijvingsduur. Hoewel daar in de memorie van toelichting niet over is gesproken, geldt de eis ook wanneer iemand de herinvesteringsreserve van een niet-afschrijfbaar bedrijfsmiddel wil afboeken op een afschrijfbaar bedrijfsmiddel. Een herinvesteringsreserve die is gevormd na de verkoop van grond kan daarom niet zonder meer worden afgeboekt op aanschaffingskosten van een bedrijfshal. Er moet dan voldaan zijn aan de voorwaarde dat beide bedrijfsmiddelen dezelfde economische functie hebben. Op grond wordt namelijk niet afgeschreven en op een bedrijfshal wordt langer dan 10 jaar afgeschreven. Het enkele feit dat het vervreemde perceel zou hebben kunnen dienen als ondergrond voor een opstal maakt niet dat beide bedrijfsmiddelen dezelfde economische functie hadden. De herinvesteringsreserve moest worden toegevoegd aan de belastbare winst.

Tags: 
tip

MIA en VAMIL fiscaal voordelig investeren

De overheid beoogt met zowel de MIA als de VAMIL investeringen in milieuvriendelijke apparatuur door bedrijven te bevorderen. De MIA voorziet in een extra belastingaftrek; de VAMIL biedt een liquiditeits- en rentevoordeel. Beide fiscale faciliteiten richten zich uitsluitend op bedrijfsmiddelen die zijn vastgelegd in de zogenaamde Milieulijst.

MIA

Met behulp van de MIA zijn investeringskosten van bedrijfsmiddelen voor 15, 30 of 40% extra aftrekbaar van de fiscale winst. Het toepasbare percentage wordt bepaald door de categorie waarbinnen het bewuste bedrijfsmiddel valt in de Milieulijst. Voor 2010 liggen deze percentages in bepaalde gevallen hoger.

VAMIL

De VAMIL-regeling is een fiscale faciliteit waarmee de ondernemer zelf kan bepalen wanneer de investeringskosten van een bedrijfsmiddel worden afgeschreven. Versnelde afschrijving van investeringskosten kan leiden tot financiële voordelen. VAMIL kan worden toegepast op investeringskosten die betrekking hebben op aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen uit de Milieulijst.

Crisispakket

Als onderdeel van het crisispakket is voor de jaren 2009 en 2010 afgesproken om € 30 miljoen extra ter beschikking te stellen voor milieu-investeringen. Voor 2010 betekent dit dat de tijdelijke verhoging van het aftrekpercentage voor een groot aantal bedrijfsmiddelen op de Milieulijst gehandhaafd blijft. Daarnaast kunnen bedrijven die niet tot de visserij, land- of tuinbouw behoren in 2010 aanspraak maken op 20% extra milieu-investeringsaftrek, dus 35, 50 of 60%. Hiervoor gelden als extra voorwaarden dat bedrijven vóór de economische crisis financieel gezond waren en maximaal € 500.000 extra steun hebben ontvangen.

Subsidiebedrag

In 2010 is voor de MIA € 113 miljoen beschikbaar en het budget voor de VAMIL bedraagt € 55 miljoen. Aanvragen voor zowel MIA als VAMIL kunnen doorlopend in het jaar worden ingediend. Een combinatie van beide blijft mogelijk.


regeling is ingebouwd in Activa Manager plus

Tags: 
tip

Milieulijst 2010 MIA\Vamil-regeling gepubliceerd

Ondernemers kunnen in 2010 weer fiscaal voordelig investeren in milieuvriendelijke technieken als zij gebruik maken van de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (Vamil). Voor het aanvragen van MIA/Vamil voor investeringen in duurzame stallen en kassen gaat een andere aanvraagsystematiek gelden, zo meldt SenterNovem. Daarnaast verandert er op Milieulijst veel voor o.a. investeringen in waterbesparing en waterzuivering en investeringen in duurzame viskweek. De tijdelijke verhoging voor een groot aantal bedrijfsmiddelen op de Milieulijst blijft gehandhaafd. Middels een tijdelijke regeling kunnen bepaalde ondernemingen in aanmerking komen voor 20 procent extra MIA.
Op de Milieulijst staan alle milieuvriendelijke investeringen die in aanmerking komen voor MIA en Vamil. De lijst wordt jaarlijks aangepast. De Milieulijst 2010 is op 21 december 2009 gepubliceerd in de Staatscourant. Hieronder enkele opvallende wijzigingen van de lijst.

Hogere aftrek
In verband met de crisismaatregelen geldt sinds juni 2009 voor veel investeringen een hoger aftrekpercentage. Deze hogere aftrekmogelijkheden blijven in 2010 gehandhaafd. Daarnaast kunnen ondernemers die niet tot de visserij, land- of tuinbouw behoren, in 2010 gebruik maken van 20 procent extra MIA, mits ze vóór de economische crisis financieel gezond waren en tot een maximum van 500.000 euro extra steun per onderneming. Om in aanmerking te komen, moeten zij een modelverklaring meesturen met het meldingsformulier.

Kassen en stallen
De omschrijvingen voor duurzame kassen en stallen op de nieuwe Milieulijst veranderen ten opzichte van 2009. De eisen voor de stallen blijven gelijk, maar de duurzame kassen moeten per 1 januari 2010 aan de eisen voldoen zoals vermeld in het certificatieschema Groen Label Kas 9. Daarnaast hanteert de nieuwe Milieulijst voor zowel kassen als stallen forfaitaire bedragen per m2 teeltoppervlak repectievelijk dierplaats. Gemiddeld betekent dit dat er niet meer of minder MIA/Vamil aangevraagd kan worden, maar de nieuwe aanvraagsystematiek moet de administratieve lasten voor zowel de bedrijven als de overheid verminderen.

Waterhergebruik en waterzuivering
De Milieulijst 2010 biedt nieuwe generieke omschrijvingen voor het terugwinnen van stoffen uit afvalwater, voor waterzuivering en voor het behandelen van zuiveringsslib. End-of-pipe technieken zullen de komende jaren minder aandacht krijgen. Ondernemers die investeren in waterbesparing kunnen al enkele jaren gebruik maken van MIA/Vamil via generieke omschrijvingen.

Duurzame viskweek
Vanaf 1 januari hanteert de MIA/Vamil een maatlat voor Duurzame Aquacultuur. Kwekers van Tilapia en Afrikaanse meerval kunnen fiscaal voordelig investeren in kwekerijen die aan deze maatlat voldoen. Ook kwekers van andere vissoorten kunnen voordeel behalen via MIA/Vamil wanneer zij aan de niet-soortspecifieke eisen van de maatlat voldoen.

Duurzaam vervoer
De Milieulijst 2010 biedt nieuwe voordelen voor duurzaam vervoer over het water. Ondernemers die investeren in duurzaam vervoer over de weg kunnen al enige tijd gebruik maken van MIA/Vamil voordelen. De marktintroductie van de elektrische scooters was zelfs zo succesvol dat deze in 2010 geen steun meer nodig hebben en van de Milieulijst af zijn.

Biodiversiteit
Nieuw op de Milieulijst is bovendien een generieke code voor de versterking van biodiversiteit, een natuurspeelplek voor in de stad en verjagingsapparatuur voor vogels en vleermuizen bij windturbines.

MIA en Vamil
MIA en Vamil zijn fiscale stimuleringsregelingen van de ministeries van VROM en Financiën. Milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen kunnen in aanmerking komen voor beide regelingen, of voor één van de regelingen. Via de MIA kunnen ondernemers tot 40 procent van de investeringskosten voor een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel aftrekken van de fiscale winst. Met de Vamil kunnen bedrijven zelf bepalen wanneer ze de investeringskosten van een bedrijfsmiddel afschrijven. Dat levert een liquiditeits- en rentevoordeel op. SenterNovem voert de MIA en Vamil uit.

Tags: 
tip

Pages