tip

tip

Privé pand of ondernemingspand

Als het pand waarin de onderneming is gevestigd, uw eigendom is: privé-pand of ondernemingspand?

Als u uw onderneming vestigt in een pand dat uw eigendom is, moet u voor de inkomstenbelasting altijd vaststellen of dat pand een privépand of een ondernemingspand is. Dat heeft gevolgen voor de lange termijn.

Stel dat het pand tot het vermogen van uw onderneming behoort en dat het in waarde stijgt. Die waardestijging is dan winst van uw onderneming. En over die winst moet u te zijner tijd belasting betalen. De gemiddelde waarde van een pand dat u privé in eigendom hebt, moet u per jaar opgeven als vermogen in box 3 voor de inkomstenbelasting. Omgekeerd: onderhouds- en verbouwingskosten zijn aftrekbaar als het pand van uw onderneming is, maar niet als het pand van u privé is. Van belang is dus: weegt de verwachte waardestijging van het pand op tegen de verwachte kosten?

Afschrijven

Over het deel van een eigen pand dat u voor uw onderneming gebruikt, schrijft u af. Gebruikt u het hele pand voor uw onderneming, dan kunt u dus over het hele pand afschrijven.

Uitgangspunten voor het bepalen van de afschrijving:

•De bedrijfsruimte kan 50 jaar mee.
•De hoogte van de afschrijving hangt af van de gebruiksduur van het pand.
•U moet rekening houden met een restwaarde van het pand.
•U mag niet afschrijven over grond.

De hoogte van de afschrijving berekent u als volgt.
De aanschafwaarde van (het ondernemingsgedeelte van) het pand (= A) vermindert u met (een evenredig deel van) de waarde van de grond, die bij het pand hoort (= G). Verder houdt u rekening met de restwaarde van het pand (= R). De hoogte van de afschrijving per jaar is A - R - G x 2%. Op deze afschrijving kan een aftrekbeperking van toepassing zijn.

De toepassing van de jaarlijkse afschrijving op het pand is alleen mogelijk als:

•De boekwaarde van het pand dat de onderneming gebruikt hoger is dan 50% van de WOZ-waarde (= bodemwaarde).
•De jaarlijkse afschrijving over uw pand niet groter is dan het verschil tussen de boekwaarde en bodemwaarde.
Voorbeeld

De boekwaarde van een pand (inclusief ondergrond) is € 200.000. De WOZ-waarde is € 396.000. De bodemwaarde is € 198.000 (= 50% van WOZ-waarde). Daardoor is er maximaal € 2.000 af te schrijven in dit boekjaar. Er kan worden afgeschreven omdat de boekwaarde hoger is dan de bodemwaarde. De afschrijving: 2% op de boekwaarde van het pand € 200.000 = € 4.000. Maar er mag niet meer worden afgeschreven dan het verschil tussen boekwaarde en bodemwaarde. De afschrijving van het pand is dus maximaal € 2.000.

Let op!

Er kan niet meer worden afgeschreven wanneer de bodemwaarde van het pand is bereikt.
(regeling ingebouwd in activa manager plus)

Tags: 
tip

GEEN afschrijvingsbeperking VAMIL gebouwen

Afschrijvingsbeperking geldt niet voor VAMIL-gebouwen!

De afschrijvingsbeperking op gebouwen geldt niet voor gebouwen die zijn aangewezen als milieu-bedrijfsmiddel. De afschrijving op gebouwen is met ingang van 1 januari 2007 beperkt.

Afschrijvingsbeperking gebouwen

Deze beperking houdt in dat de boekwaarde van een gebouw niet mag dalen beneden de zogenoemde bodemwaarde. Voor gebouwen die worden verhuurd aan derden (gebouwen ter belegging) worde de WOZ-waarde als bodemwaarde gehanteerd. Voor gebouwen in eigen gebruik wordt 50% van de WOZ-waarde als bodemgrens gehanteerd (zie ook: De regels over afschrijving op vastgoed op een rij).

Gebouw is milieubedrijfsmiddel

De afschrijvingsbeperking op gebouwen blijft buiten toepassing bij gebruik van de willekeurige afschrijving op milieu-bedrijfsmiddelen . Dit houdt in dat op gebouwen die onder de VAMIL vallen (groenlabelkassen en duurzame stallen(zie ook: Certificatie Groen Label Kassen)) willekeurig kan worden afgeschreven tot de restwaarde in plaats van tot de bodemwaarde.

Deze uitzondering is opgenomen in art. I, onderdeel Da, van de Wet Werken aan winst en treedt nu bij koninklijk besluit in werking (zie ook: Belastingoverzicht per 1 januari 2009). Inwerkingtreding vindt plaats per 28 januari 2009, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009.

Goedkeuring Europese Commissie

Deze wijziging van de VAMIL betreft een intensivering van reeds goedgekeurde staatssteun en moest daarom ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft de wijziging van de VAMIL goedgekeurd met ingang van 1 januari 2009.

Tags: 
tip

WOZ waarde 50% of 100%

WOZ-waarde
Door het koppelen van de bodemwaarde aan de WOZ-waarde voor de afschrijving op het vastgoed is een correcte waarde van de WOZ-beschikking van belang. Een kritische beoordeling van deze WOZ-beschikking is dan ook geboden. Indien er geen of niet tijdig bezwaar is gemaakt dan staat deze waarde vast en kan in beginsel niet worden teruggekomen op deze vastgestelde bodemwaarde.

Werktuigenvrijstelling
Van belang is nu om vast te stellen welke onderdelen van het vastgoed, voor het vaststellen van de bodemwaarde, daadwerkelijk onderdeel uit maken van het vastgoed. Werktuigen die onroerend zijn en hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het (productie)-proces zijn vrijgesteld bij de bepaling van de waarde van het vastgoed volgens de WOZ. Dit geldt niet voor werktuigen die het vastgoed beter geschikt maken voor gebruik, zoals bijvoorbeeld een lift of sprinklerinstallatie, hiervoor geldt geen vrijstelling. Verder moet het werktuig verwijderd kunnen worden uit het vastgoed met behoud van zijn waarde en mag niet aangemerkt kunnen worden als een gebouwd eigendom. Dit laatste kan zich voordoen als een werktuig aard en nagel vast zit in de betreffende vastgoed, zodat dit wordt aangemerkt als een gebouwd eigendom.

Beleggingsvastgoed of vastgoed in eigen gebruik
De boekwaarde van het vastgoed kan door afschrijving nooit onder de bodemwaarde uitkomen. Voor beleggingsvastgoed geldt dat de mogelijkheid tot afschrijven bestaat tot 100% van de WOZ-waarde. Voor vastgoed in eigen gebruik wordt de bodemwaarde gesteld op 50% van de WOZ-waarde van het vastgoed en ondergrond.
Wat is nu het onderscheid tussen beleggingsvastgoed en vastgoed in eigen gebruik? Beslissend voor de beantwoording van deze vraag is de feitelijke bestemming.
Is er sprake van ‘verhuur aan een derde’? Als het vastgoed voor 70% of meer ter beschikking wordt gesteld aan een derde dan is sprake van een beleggingsvastgoed. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk, kort samengevat: ingeval er sprake is van kortstondige verhuur. Bij kortstondige verhuur kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de verhuur van vakantiewoningen of de exploitatie van een hotel of sportpark.

Verhuur aan verbonden persoon of vennootschap
Wordt het vastgoed niet aan een derde verhuurd, maar aan een verbonden persoon of een verbonden lichaam, dan is sprake van een vastgoed in eigen gebruik. De wet kent gedetailleerde omschrijvingen van de begrippen ‘verbonden persoon’ en ‘verbonden lichamen’. Bij mede-eigendom moet de WOZ-waarde van het vastgoed naar evenredigheid, naar mate van eigendom, worden verdeeld over de mede-eigenaren. Dit kan tot complexe situaties leiden bij firma’s en andere samenwerkingsverbanden. Bij meerdere firmanten kan er als snel sprake zijn van overschrijden van het 70% criterium zodat in dat geval het vastgoed als beleggingsvastgoed wordt gekwalificeerd. Het is dan ook verstandig om bij samenwerkingsverbanden kritisch te bekijken hoe het vastgoed dient te worden gekwalificeerd.

Anti-misbruik
De nieuwe wettelijke regeling kent antimisbruikbepalingen om zoveel mogelijk te voorkomen dat de nieuwe afschrijfbeperkingen worden ontlopen. Het gaat hierbij vooral om splitsing van gerechtigdheid tot het vastgoed van meerdere verbonden personen of B.V.’s. Hierbij kan worden gedacht aan een juridische splitsing tussen opstal en ondergrond, tussen vruchtgebruik en bloot-eigendom, tussen huur en verhuur. In die gevallen moet de afschrijving over de verbonden personen/B.V.’s worden verdeeld naar rato van de afschrijving die bij ieder van hen had plaatsgevonden als de samenstelling van investeringen niet zou hebben plaatsgevonden. De antimisbruikbepalingen zijn uitsluitend van toepassing bij een splitsing van de gerechtigdheid, de investeringen in het vastgoed tussen verbonden personen en/of B.V.’s. Als eerder gezegd, die verbondenheid is in de wet gedetailleerd omschreven en laat ik hier verder buiten beschouwing. Opmerkelijk is dat enkele naaste familieleden – zoals een broer of zus, maar ook meerderjarige kinderen – niet als verbonden persoon zijn aangemerkt. Dit laatste kan interessante mogelijkheden bieden om belasting te besparen.

Tags: 
tip

Willekeurig afschrijven voor startende ondernemers

Willekeurige afschrijving

Er bestaat voor startende ondernemers een extra faciliteit: de willekeurige afschrijving. De faciliteit betekent dat niet per se de levensduur het criterium hoeft te zijn bij het afschrijven. De aanschaffingskosten mogen nu volstrekt willekeurig als kosten worden geboekt bij het berekenen van de fiscale winst. Dat kan tot gevolg hebben dat een investering van bijvoorbeeld € 5.000 in het eerste jaar van aanschaf geheel als kosten wordt geboekt.

Belastingvermindering?

Het belang van direct afschrijven: de winst wordt verlaagd met het volledige bedrag van de aanschaffingskosten, en dat leidt tot een acute vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting.

Het doel daarvan is het stimuleren van de start van de onderneming. Immers, acute belastingvermindering is een financieringsvoordeel. Het is niet altijd echt een belastingvoordeel. Immers, de afschrijvingskosten worden hoogstens op een ander moment ten laste van het inkomen gebracht dan wanneer regelmatig zou zijn afgeschreven. Wat je nu in dit jaar afschrijft ten laste van je inkomen kun je in latere jaren niet afschrijven.

Willekeurig afschrijven is niet altijd direct afschrijven

Als je nog geen winst maakt waarover je inkomstenbelasting betaalt, zou het dom zijn om je investeringen direct af te schrijven. Je kunt de afschrijvingskosten dan beter bewaren tot latere jaren waarin je winst hoger kan zijn.

Willekeurige afschrijving kan dus ook betekenen dat je het afschrijven uitstelt. Eigenlijk kun je het afschrijven zo precies regelen dat de winst exact bepaalt wordt op het bedrag dat je wilt zien.

Winstbeoordeling en willekeurige afschrijving
Willekeurig afschrijven is dus een strategisch middel. Je kunt er je belastingheffing mee sturen.

Dat is dan ook in essentie het voordeel: je kunt je liquiditeit beïnvloeden en mogelijk ook je uiteindelijke belastingbetalingen, door te 'spelen' met afschrijvingskosten.

Dat betekent ook dat het beeld dat je zelf van de winst hebt door deze regeling nogal verstoord kan raken. Dat is een nadeel. Daarom wordt aanbevolen om de winst in elk geval eerst met normale afschrijving te berekenen. Uitsluitend voor de belastingheffing kan dan die winst gecorrigeerd worden met de willekeurige afschrijving.

Alléén voor belastingheffing

In de fiscale winstberekening, dus voor de belastingheffing, mag je spelen met afschrijvingskosten. Andere belanghebbenden accepteren dit niet.

Een bank die je kredietwaardigheid beoordeelt accepteert ook geen willekeurige afschrijving in de winstbepaling. Ook daarom wordt aanbevolen om de winst in elk geval eerst met normale afschrijving te berekenen.

Regeling is ingebouwd in Activa Manager plus

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijving (crisismaatregel)

In 2009 is als één van de crisismaatregelen de mogelijkheid ingevoerd om tijdelijk willekeurig af te schrijven op bedrijfsmiddelen. Een investering die in 2009 of 2010 is gedaan, kan in het investeringsjaar tot maximaal 50% worden afgeschreven en ten hoogste 50% in het daaropvolgende jaar. De oorspronkelijke regeling bepaalt verder dat het bedrag van de willekeurige afschrijving, vóór de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel, niet hoger mag zijn dan het bedrag dat ter zake van die verplichting is betaald of aan voortbrengingskosten is gemaakt (het zogenaamde betalingscriterium).

In de praktijk leidt nu het betalingscriterium tot problemen als er wel verplichtingen worden aangegaan, nog niet in gebruik genomen wordt en er weinig of niets al wordt betaald. Het probleem is dan dat er een niet beoogde beperking van de faciliteit optreedt. Op grond van de regels kan in het geval dat een bedrijfsmiddel nog niet in gebruik genomen is, slechts willekeurig worden afgeschreven voor zover er al betaald is. Een voorbeeld (uit het besluit) ter verduidelijking.

Een belastingplichtige gaat eind 2009 verplichtingen aan voor de aankoop van een bepaald bedrijfsmiddel. In 2010 wordt 60% betaald en in 2011 volgt de overige 40%. Begin 2011 wordt het bedrijfsmiddel geleverd en in gebruik genomen.

Zonder de aanpassing leidt de bovengenoemde situatie tot de volgende uitwerking. Het investeringsjaar is hier 2009; in dat jaar wordt immers de verplichting aangegaan. Vanwege het feit dat het bedrijfsmiddel evenwel nog niet in gebruik genomen is en er niet voldaan is aan het betalingscriterium – omdat er nog niets is betaald – kan er in 2009 niet willekeurig worden afgeschreven.

In 2010 kan er wel willekeurig worden afgeschreven, evenwel tot een maximum van 50%.

In latere jaren kan niet willekeurig worden afgeschreven, omdat in de oorspronkelijke regeling willekeurige afschrijving alleen toegestaan is in het investeringsjaar (in dit voorbeeld 2009) en het daaropvolgende jaar (in dit voorbeeld 2010). Daarmee komt de maximale willekeurige afschrijving in dit voorbeeld op 50%.

Niet bedoelde beperking

Dat er een dergelijke beperking van de faciliteit ontstaat, was niet de bedoeling van de regeling. Om deze reden heeft de Staatssecretaris op 18 mei 2010 een besluit het licht doen zien, dat tot een versoepeling van de regeling leidt en die het hiervoor vermelde probleem oplost.

Met het besluit van 8 mei 2010 neemt de Staatssecretaris met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 deze onbedoelde beperking weg. Het besluit houdt in dat:

•de voorwaarde dat alleen in het investeringsjaar en het onmiddellijk daaropvolgende jaar willekeurig kan worden afgeschreven, komt te vervallen en;

•de voorwaarde dat in het onmiddellijk op het investeringsjaar volgende jaar ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven, komt te vervallen.

Consequentie

Het gevolg is dat voortaan voor investeringen die in 2009 of 2010 zijn verricht, in het investeringsjaar – net als tot nu toe – ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven en het restant – anders dan tot nu toe – in een of meer van de volgende jaren willekeurig mag worden afgeschreven. Het is overigens nog wel zo dat blijft gelden dat voor investeringen in 2009 de ingebruikneming plaats moet vinden voor 1 januari 2012. Voor investeringen in 2010 moet de ingebruikneming plaatsvinden voor 1 januari 2013.

Uitzonderingen

Uitgezonderd van de willekeurige afschrijvingsfaciliteit zijn gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa, software, bromfietsen, motorrijwielen en personenauto's. Echter weer wel in aanmerking voor de faciliteit komen taxi's en personenauto's waarvan de CO2-uitstoot niet meer bedraagt dan 95 gram per kilometer (diesel), dan wel niet meer dan 110 gram per kilometer (benzine). Net zoals dit geldt voor de investeringsaftrek, zijn ook de bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om ter beschikking te worden gesteld aan derden uitgesloten van de willekeurige afschrijving.

Samenvatting

Met de belastingregeling tijdelijke willekeurige afschrijving (TWA) mag u nieuwe bedrijfsmiddelen versneld afschrijven. Hiermee brengt u de winst omlaag, waardoor u minder belasting betaalt. Alle bedrijfsmiddelen vallen onder de regeling, met uitzondering van:

gebouwen

grond, weg- en waterbouwkundige werken

bromfietsen, motorrijwielen en personenauto's (behalve taxi's en zeer zuinige personenauto's)
dieren
immateriële activa, zoals software.

Voorwaarden

U moet onder meer aan de volgende voorwaarden voldoen:

Het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt.
U mag niet meer afschrijven dan het bedrag van de investering of de kosten voor de voortbrenging.
U gaat de investeringsverplichting aan in 2010, of u maakt in dat jaar de kosten voor de voortbrenging.

Aanvragen

U meldt de investering bij de Belastingdienst.

Regeling is ingebouwd in Activa Manager plus

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijving ook in 2011

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | AFP2010/441U | 21-09-2010

Eén van de maatregelen die is genomen ter bestrijding van de economische crisis is de tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in bedrijfsmiddelen. Deze regeling biedt de mogelijkheid om investeringen die bedrijven in 2009 en 2010 hebben gedaan voor maximaal 50% af te schrijven in het investeringsjaar. Het restant mag in een of meer van de volgende jaren willekeurig worden afgeschreven. Deze tijdelijke maatregel is met een jaar verlengd en geldt nu ook voor 2011.

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijving, over welk bedrag

Eén van de maatregelen die is genomen ter bestrijding van de economische crisis is de tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in bedrijfsmiddelen. Deze regeling biedt de mogelijkheid om investeringen die bedrijven in 2009 en 2010 hebben gedaan voor maximaal 50% af te schrijven in het investeringsjaar. Het restant mag in een of meer van de volgende jaren willekeurig worden afgeschreven. Deze tijdelijke maatregel is met een jaar verlengd en geldt nu ook voor 2011.

Let op, Er mag afgeschreven worden over het totaal af te schrijven bedrag.

Voorbeeld aanschaf € 100.000, restwaarde € 10.000, 50% afschrijving is dan 50 % van (100.000 -/- 10.000) = € 45.000

Tags: 
tip

Wijzigingen m.i.v. 1 januari 2011

1.16 Willekeurige afschrijving bedrijfsmiddelen
1.16.1 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil)

De Vamil biedt de mogelijkheid de investeringskosten willekeurig af te schrijven en geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). De Vamil wordt voor de jaren 2011 tot en met 2013 tijdelijk verlaagd van 100% naar 75%. De overige 25% volgt het reguliere afschrijfregime. Vanaf 2014 zal vervolgens weer 100% versneld kunnen worden afgeschreven. Per bedrijfsmiddel kan niet meer dan € 25 miljoen willekeurig worden afgeschreven.

1.16.2 Tijdelijke willekeurige afschrijving


De tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen wordt met een jaar verlengd. Dit betekent dat bedrijven die investeringen doen in het kalenderjaar 2011 deze in twee jaar kunnen afschrijven waarbij in het investeringsjaar ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven. Niet alle investeringen in bedrijfsmiddelen komen voor de tijdelijke willekeurige afschrijving in aanmerking. De belangrijkste uitzonderingen zijn investeringen in: gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa (waaronder software), bromfietsen, motorrijwielen en personenauto's. Uitgesloten zijn ook investeringen in bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om voor langere tijd ter beschikking te worden gesteld aan derden. Taxi's en zeer zuinige personenauto's mogen wel willekeurig worden afgeschreven. Een personenauto geldt als zeer zuinig als de CO2-uitstoot niet meer bedraagt dan 95 gram per kilometer bij dieselmotoren, of niet meer dan 110 gram per kilometer bij andere personenauto's. Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra (in het kalenderjaar 2011) een investeringsverplichting is aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan echter niet hoger zijn dan het bedrag dat ter zake van de investeringsverplichting is betaald dan wel het bedrag van de gemaakte voortbrengingskosten. Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2014 door de belastingplichtige in gebruik zijn genomen. Deze maatregel gold al voor investeringen gedaan in 2009 en 2010 (met ingebruikname vóór 1 januari 2012 respectievelijk vóór 1 januari 2013) en wordt met een jaar verlengd. Voor zeeschepen geldt als aanvullende voorwaarde dat niet eerder dan na 10 jaar na toepassing van de willekeurige afschrijving voor het tonnageregime kan worden gekozen. Dit voorkomt dat het mogelijk is om een onbedoeld fiscaal voordeel te creëren door de tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen een kort tijdsbestek te combineren.


1.17 Investeringsaftrek


De belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek. Deze aftrek kan de vorm hebben van een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van een energie-investeringsaftrek en van een milieu-investeringsaftrek.


1.17.1 Kleinschaligheidsinvesteringaftrek (KIA)


De KIA is bedoeld om investeringen van een beperkte omvang te bevorderen en is hierdoor vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf. Ook zeer zuinige personenauto’s, waaronder elektrische personenauto’s, komen in aanmerking voor de KIA. De belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een bedrag dat volgt uit de tabel van de winst over dat jaar aftrekken.






















Tabel: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in 2011
Investering  Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek  
Niet meer dan € 2.200   0% 
 € 2.201 t/m € 54.324   28% van het investeringsbedrag  
€ 54.325 t/m € 100.600   € 15.211  
 € 100.601 t/m € 301.800   € 15.211 verminderd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat hoger is dan € 100.600 
Meer dan € 301.800   € 0  






















Tabel: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in 2010
Investering  Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek  
Niet meer dan € 2.200   0% 
 € 2.201 t/m € 54.000 28% van het investeringsbedrag  
€ 54.001 t/m € 100.000   € 15.120  
 € 100.001 t/m € 300.000   € 15.120 verminderd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat hoger is dan € 100.000 
Meer dan € 300.000   € 0

 

Tags: 
tip

Voorkom afschrijvingsbeperking op vastgoed

Sinds 2007 is afschrijven op gebouwen nog slechts toegestaan indien en voorzover de
boekwaarde van het gebouw hoger is dan de zogenoemde ‘bodemwaarde’.

De hoogte van de bodemwaarde is afhankelijk van de bestemming.

De bodemwaarde van een gebouw dat in eigen gebruik is, bedraagt 50% van de WOZ-waarde.
Is het gebouw bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld of verhuurd wordt aan derden, dan is de bodemwaarde gelijk aan 100% van de WOZ-waarde.

Er mag niet meer afgeschreven worden indien de boekwaarde de bodemwaarde heeft bereikt. Stijgt de WOZ-waarde (de bodemwaarde), dan hoeft geen winst te worden genomen.
Kunt u niet meer afschrijven op uw gebouw, beoordeel dan of de bedrijfswaarde lager is.
Het is namelijk mogelijk om het gebouw te waarderen op lagere bedrijfswaarde.

De bedrijfswaarde is de waarde die een koper van uw onderneming zou toekennen aan het pand, op basis van de overnemingwaarde van de onderneming die van plan is de onderneming voort te zetten.

In het huidige economische klimaat kan voor veel bedrijfspanden een lagere bedrijfswaarde worden verdedigd.

Tags: 
tip

Een alternatief voor afschrijven

De financiële gevolgen van de met ingang van 1 januari 2007 ingevoerde beperking van de afschrijving op gebouwen zijn voor de praktijk niet gering. Voor een flink aantal gebouwen, die al langer in eigendom zijn of waarop een vervangingsreserve/ herinvesteringsreserve in mindering is gebracht, zullen de nieuwe wettelijke regels de nodige gevolgen hebben. Zo zal, hetzij al direct met ingang van 1 januari 2007 of snel daarna, geen fiscale afschrijving meer mogelijk zijn, omdat de bodemwaarde al is gepasseerd. Het afschrijven houdt voor deze groep dan al snel op. Dit zal vooral gelden voor beleggingsvastgoed.
Bij nieuwe of relatief nieuwe gebouwen zal de bodemwaarde naar verwachting gemiddeld na 10 jaar na de eerste ingebruikname worden bereikt. Voor veel ondernemingen werkt een beperking in de afschrijving direct nadelig door in de kasstromen en daarmee in de liquiditeitspositie. Het zou dus interessant zijn als er alternatieve mogelijkheden waren, die de nadelige effecten van de afschrijvingsbeperking compenseren. Die mogelijkheden zijn er.

Vormen voorziening i.p.v. gemengd afschrijven

Een invulling van de fiscale jaarwinstbepaling volgens goedkoopmansgebruik (die altijd al mogelijk is geweest, maar nu extra aantrekkelijk wordt), is een ‘stelsel’ waarbij het gebouw inclusief componenten ongedifferentieerd in 50 jaar wordt afgeschreven. Bij de afschrijving van het gebouw wordt derhalve géén rekening gehouden met de versnelde slijtage van bepaalde onderdelen van het gebouw. Uit de jurisprudentie volgt dat, indien bij de jaarlijkse afschrijving géén rekening is gehouden met versnelde slijtage van bepaalde onderdelen, vervanging van die onderdelen moet worden aangemerkt als onderhoud. Hierdoor komen de uitgaven, die in dat verband worden gedaan als onderhoudskosten, in aftrek in het jaar waarin de uitgaven zich voordoen. In de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ‘Werken aan winst’ erkent de minister dit expliciet. In geval van groot onderhoud mag een onderhoudsvoorziening of een kostenegalisatiereserve (KER) worden gevormd, waaraan jaarlijks ten laste van de winst kan worden gedoteerd. In het jaar dat de onderhoudsuitgave zich voordoet, wordt de uitgave afgeboekt van de gevormde voorziening of KER. Deze systematiek geldt derhalve niet alleen voor het gebruikelijke groot onderhoud dat zich bijvoorbeeld eens in de vijf jaar voordoet, maar ook ten aanzien van zelfstandige onderdelen van een gebouw, die slechts eens in de twintig jaar vervangen dienen te worden (zoals een pui of een lift). Een stelsel, waarbij ongedifferentieerd wordt afgeschreven en door middel van een voorziening wordt gespaard voor groot onderhoud, kan onder omstandigheden bovendien voordeliger uitpakken dan gemengd afschrijven volgens de componentenleer.

Voorbeeld

Een gebouw voor eigen gebruik met een aanschafprijs van € 3.000.000 kan worden onderverdeeld in een casco met een waarde van € 2.000.000 en componenten met een waarde van € 1.000.000. We laten de grondwaarde in dit voorbeeld voor het gemak buiten beschouwing.


Op het casco mag 2% per jaar worden afgeschreven, terwijl op de componenten 5% per jaar wordt afgeschreven. Afschrijven op basis van een gemengd afschrijvingspercentage leidt tot een aftrekpost van € 40.000 over het casco en € 50.000 over de componenten, in totaal derhalve € 90.000 ofwel 3%, totdat de bodemwaarde wordt bereikt.

Een ongedifferentieerde afschrijving leidt tot een afschrijving van 2% over € 3.000.000, derhalve € 60.000, totdat de bodemwaarde wordt bereikt. Daarnaast mag echter gedoteerd worden aan een onderhoudsvoorziening ten behoeve van de vervanging van de componenten over, stel, 20 jaar. De dotatie in het eerste jaar zal circa 5% van € 1.000.000 bedragen, oftewel € 50.000. Afschrijving en onderhoudsdotatie komen tezamen derhalve uit op € 110.000. Merk hierbij op dat de jaarlijkse dotatie aan de onderhoudsvoorziening ieder jaar zal toenemen, omdat bij de dotatie tevens rekening mag worden gehouden met prijsstijgingen, die zich dat jaar hebben voorgedaan. De voorziening zal hierdoor uiteindelijk toenemen tot de vervangingskosten van de componenten. Bij een jaarlijkse inflatie van 2% zijn de kosten van vervanging na 20 jaar circa 50% hoger dan de prijs op t = 0. Merk daarnaast op dat doteren aan de voorziening ook mag in jaren waarin de bodemwaarde inmiddels is gepasseerd. Doteren aan de voorziening gaat derhalve door, waar afschrijven gestopt had moeten worden.

Doorrekenen

Als we de casus uit dit voorbeeld voor de volle 50 jaar doorrekenen, waarbij we aannemen dat de WOZ‑waarde op t = 0 gelijk is aan de aanschafprijs van € 3.000.000 en dat deze waarde jaarlijks gelijke tred houdt met de inflatie die we stellen op 2% per jaar, dan is het resultaat over 50 jaar als volgt. In een stelsel, waarbij gemengd wordt afgeschreven kan in de eerste 12 jaren worden afgeschreven en vervolgens nog in de jaren t = 20 tot en met t = 27 en t = 40 tot en met t = 46. In alle andere jaren is de bodemwaarde te hoog. De totale fiscale aftrekpost over 50 jaar bedraagt circa € 3.000.000. In een stelsel, waarbij ongedifferentieerd wordt afgeschreven en waarbij ten aanzien van de vervanging van de componenten een voorziening wordt gevormd, kan gedurende de eerste 16 jaren worden afgeschreven, in totaal circa € 940.000. Tevens kan gedurende 40 jaar gedoteerd worden aan de onderhoudsvoorziening voor in totaal € 3.750.000. De totale fiscale aftrekpost over 50 jaar bedraagt dan circa € 4.700.000. Daarnaast wordt in de tweede variant een belangrijk financieringsvoordeel behaald.

Fiscaal voordeel

Het uiteindelijke effect hangt in grote mate samen met de mate waarin het gebouw kan worden onderverdeeld in een casco en componenten. Des te meer waarde van de aanschafprijs kan worden toegerekend aan componenten, des te groter het uiteindelijke fiscale voordeel zal zijn. Merk op dat het uiteindelijke fiscale voordeel ook mede kan afhangen van de gekozen afschrijvings­termijn voor het casco. Indien in het gehanteerde voorbeeld een termijn van 40 jaar zou gelden in plaats van 50 jaar, lijkt het aannemelijk dat vanaf t = 21 geen dotatie aan de voorziening meer kan plaatsvinden, omdat de eventuele uitgaven na 40 jaar niet als onderhoud, maar als kapitaaluitgave kwalificeren.

Vormen voorziening is voordeliger

Het vormen van een voorziening is fiscaal voordeliger dan gemengd afschrijven. Dit komt wellicht over als een boude bewering, maar deze kan als volgt worden onderbouwd. De componentenleer is vervangen door de samentelregeling; het gebouw met al haar componenten (inclusief grond en aanhorigheden) wordt nu gezien als één geheel. Als gevolg van deze samentelregeling geldt ten aanzien van afschrijving op componenten nu een wettelijke aftrekbeperking. Een dergelijke beperking geldt niet voor dotaties aan een voorziening voor de vervanging van dergelijke componenten. Een tweede verklaring wordt gevonden in het feit dat ten aanzien van afschrijvingskosten worden genomen, die verband houden met een uitgave, die heeft plaatsgevonden op t = 0. In het geval een voorziening wordt gevormd, worden kosten genomen met betrekking tot een uitgave, die op t = 20 plaatsvindt, waarbij tevens tegen een laag percentage (2%) wordt afgeschreven op de historische uitgave. Een derde verklaring wordt gevonden in het feit dat afschrijving plaatsvindt op basis van historische kostprijs van de componenten, terwijl jaarlijkse dotaties aan de voorziening geschieden op basis van de vervangingswaarde van de componenten. Zeker over een langere termijn (zoals 20 jaar) maakt dit een significant verschil.

Het zoeken naar alternatieven voor afschrijven en het positieve effect wat dit kan hebben op de liquiditeitspositie is, zeker ook in de huidige tijd, zeker de moeite waard.
bron: accountancy nieuws

Tags: 
tip

Pages