Tips

Milieulijst 2012 MIA\Vamil-regeling gepubliceerd

Bedrijven die duurzaam willen ondernemen kunnen ook in 2012 weer profiteren van de gunstige fiscale aftrekmogelijkheden van de MIA\Vamil-regeling.
Op de nieuwe Milieulijst voor 2012 staan circa 360 investeringen met een onmiskenbaar milieuvoordeel waarbij tot 36 procent van de investeringskosten mag worden afgetrokken van de fiscale winst.
De Milieulijst 2012 stimuleert onder andere nieuwe maatregelen voor een duurzaam (her)gebruik van grondstoffen, beperking van industriële luchtemissies en vermindering van het watergebruik in de glastuinbouw. Nieuw in 2012 is dat bedrijven eenvoudig via internet MIA\Vamil kunnen aanvragen. Dit blijkt uit een wijziging van de Milieulijst van de MIA\Vamil die op 28 december 2011 is gepubliceerd in de Staatscourant.

Digitaal aanvragen

Bedrijven kunnen in 2012 eenvoudig via internet MIA\Vamil aanvragen. Dit geldt alleen voor milieu-investeringen die in 2012 worden gedaan en niet voor investeringen waarbij de opdracht in 2011 is verstrekt.

Meer keurmerken op Milieulijst

Op de Milieulijst van 2012 is het aantal keurmerken flink uitgebreid met onder andere MVO- en CO2-prestatieladder en de Barometers in beheer bij SMK. Ook komen er in 2012 meer niveaus per keurmerk in aanmerking voor aftrek. Bij een aantal keurmerken, zoals Milieukeur, Dubokeur en Ecolabel, kunnen zowel de producerende bedrijven (productiemiddelen) als afnemers (gecertificeerde producten) gebruik maken van de MIA\Vamil regeling.

Glastuinbouw

Voor de glastuinbouw zijn er nieuwe aftrekmogelijkheden voor het verminderen van het lozen van drainwater (met gewasbeschermingsmiddelen), het beter benutten van opgepompt grondwater en het voorkomen van warmteophoping in de kas.

Duurzame stallen

Naast een duurzame melkveestal, duurzame varkensstal en duurzame pluimveestal kunnen bedrijven in 2012 ook fiscaal voordelig investeren in een duurzame konijnenstal. Duurzame stallen moeten in 2012 wel voldoen aan de strengere eisen van de Maatlat Duurzame Veehouderij certificatieschema 6 (MDV6). Ook is een aantal maximale bedragen per dierplaats aangepast.

Meer informatie over MIA (Milieu Investeringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investeringen)

Tags: 
tip

Vaste activa

Onder vaste activa (non-current assets of fixed assets) wordt verstaan de bezittingen van een bedrijf waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd.
Voorbeelden hiervan zijn de gebouwen, inventaris, de machines en installaties, en de transportmiddelen.
Het zijn de bezittingen die een bedrijf gebruikt voor de bedrijfsvoering, niet om te verkopen.

In het jaarrekeningrecht onderscheidt men drie soorten vaste activa:
Immateriële vaste activa
Materiële vaste activa
Financiële vaste activa

De waardering van de vaste activa op de balans is:
waardering = aanschafprijs - afschrijvingen + of - herwaardering (IFRS of actuele waarde).

Immateriële activa zijn vaste activa die niet tastbaar zijn. Het betreft bezittingen die wel een rol spelen in het financiële proces, maar nooit in het fysieke bedrijfproces.
Immateriële activa kunnen alleen dan op de balans opgevoerd worden, wanneer zij een objectief bepaalbare waarde hebben. Over de waardering van immateriële activa zijn per soort verschillende afspraken vastgelegd.
Uitgangspunt van de waardering is dat er een inschatting moet zijn van de nuttige gebruiksduur, de afschrijving per jaar is dan het waardeverlies over de totale tijd gedeeld door het aantal jaren nuttig gebruik.

Voorbeelden van immateriële activa zijn:
Goodwill. Het bedrag dat betaald moet worden voor de overname van klanten. Klanten vertegenwoordigen een potentiële omzet, en in die zin een waarde voor een bedrijf.
Octrooien en patenten. Dit zijn de rechten om een product in monopolie te maken.
Research / Ontwikkelingskosten. Kosten die gemaakt worden om een product te ontwikkelen kunnen gespreid worden over de levenscyclus van het product.

Onder materiële vaste activa (non-current assets of fixed assets) wordt verstaan de bezittingen van een bedrijf waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn grond en gebouwen, machines en installaties, transportmiddelen en computers. Het zijn de bezittingen die een bedrijf langdurig gebruikt voor de bedrijfsvoering, en waarvan zij het economisch eigendom bezit. Dus operationeel geleasede bezittingen (sale and lease back) vallen hierbuiten.

Materiële vaste activa onderscheiden zich van immateriële en financiële vaste activa doordat zij stoffelijk van aard zijn. Je kunt ze pakken of aanraken.

Financiële vaste activa is een deel van het actief van een onderneming. Het gaat in de eerste plaats om deelnemingen in het kapitaal van verbonden ondernemingen en lange-termijn voorschotten, in de vorm van liquide middelen of in de vorm van uitstel van betaling, aan zulke verbonden ondernemingen. Wat de financiële activa onderscheidt van de geldbeleggingen is dat bij financiële vaste activa de onderneming meestal inspraak heeft in het bestuur van de andere onderneming. Toch worden ook andere aandelen, die de onderneming om strategische redenen langdurig aanhoudt, onder de financiële vaste activa geboekt.

Tags: 
tip

Software als bedrijfsmiddel ?

Een interessante vraag bij de aanschaf van sofware is of dit nu een bedrijfsmiddel is of niet. Als het een bedrijfsmiddel is, moet je het activeren en over de aanschaffingskosten afschrijven. Als bedrijfsmiddel kwalificeert de software dan ook voor de investeringsaftrek. Is de software geen bedrijfsmiddel, dan valt de aanschaf direct in de kosten dan wel wordt deze behandeld als transitorische post.

De vraag wanneer de betaling voor c.q. de aanschaf van software nu kwalificeert als een bedrijfsmiddel, is niet altijd even gemakkelijk te beantwoorden. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat een eenmalige betaling voor het gebruik van software een bedrijfsmiddel doet ontstaan. Terwijl bij een jaarlijkse betaling voor dat gebruik meer kan worden aangenomen dat sprake is van huur van de software. Een ander belangrijk criterium – zo niet een essentieel criterium – is ook of men de eigendom/het exploitatierecht over de software heeft verkregen. Wordt de eigendom/het exploitatierecht van de software ten behoeve van de onderneming verkregen, dan is sprake van een bedrijfsmiddel (tenzij het gaat om een relatief en absoluut gering belang, dan mag het weer direct in de kosten). In de jurisprudentie worden uitgaven voor software waarvan het exploitatierecht bij derden ligt, beschouwd als een last (of als het zijn nut over meerdere jaren heeft, als een transitorische post) en niet als bedrijfsmiddel. Software die kwalificeert als bedrijfsmiddel kan ook in aanmerking komen voor investeringsaftrek.

Activering

Aangeschafte software die kwalificeert als bedrijfsmiddel moet geactiveerd worden. Kosten van implementeren zullen ook onder de aanschafkosten vallen. De aanschafkosten van een bedrijfsmiddel zijn niet beperkt tot de koopprijs, maar volgens de jurisprudentie behoren daartoe ook de kosten die met de aankoop samenvallen en die met de koopprijs het bedrag uitmaken dat de onderneming voor de verkrijging van dat bedrijfsmiddel moet opofferen. Voorbeelden van dergelijke kosten zijn: aankoopkosten, installatiekosten, transportkosten, etc. De kosten van de implementatie moeten daarom ook geactiveerd worden. Daar staat tegenover dat indien deze kosten van geringe waarde zijn, die gewoonlijk tot de lopende uitgaven van de onderneming worden gerekend, deze wel in een keer ten laste van de winst mogen worden gebracht. Mocht bijvoorbeeld in het contract met betrekking tot de aanschaf, licentie, implementatie etc. bijvoorbeeld een ‘helpdesk element’ betreffende het eerste jaar na de aanschaf zitten, dan kan deze component ineens ten laste van de winst worden gebracht.

Afschrijving

Op grond van de afschrijvingsregels die sinds 1 januari 2007 van kracht zijn, kan in beginsel per jaar maximaal 20% van de aanschaffingskosten worden afgeschreven. Mocht er sprake zijn van een restwaarde, dan dient hiermee bij het bepalen van de hoogte van de afschrijvingen rekening te worden gehouden. De software wordt op deze manier in vijf jaar afgeschreven.

Echter, een extra last is mogelijk indien de bedrijfswaarde lager is dan de kostprijs minus afschrijving. Bedraagt de bedrijfwaarde namelijk minder, dan kan op grond van goed koopmansgebruik een afboeking plaatsvinden naar deze lagere bedrijfswaarde. Als ondernemer moet je echter bewijzen dat de bedrijfswaarde lager is dan de kostprijs minus afschrijvingen. Dit bewijs is niet altijd even makkelijk te leveren.

Indien software voor een beperkte periode, bijvoorbeeld 3 jaar, is aangeschaft, waarna het pakket niet meer gebruikt kan worden, dan lijkt het bewijs eenvoudig te leveren. In de praktijk komt het er op neer dat men in zo’n geval in de eerste drie jaar 20% afschrijft maar aan het einde van het derde jaar, naast de 20% afschrijving, ook de rest van de boekwaarde afboekt naar nul (zijnde de lagere bedrijfswaarde).

Last of transitorische post

Indien de aangeschafte software niet kwalificeert als bedrijfsmiddel zal het een last van het jaar zijn. Bij een betaling ineens, kan deze betaling, indien het ook een relatief en absoluut gezien behoorlijk bedrag is, als transitorische post verwerkt moeten worden. Bij transitorische posten gaat het om bedragen die ineens betaald zijn, maar die ook betrekking hebben op het volgende jaar of volgende jaren. Het gedeelte dat ziet op het volgende jaar of volgende jaren moet aldus als transitorische actiefpost worden verwerkt.

Bron: accountancynieuws

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijvingen in Activa Manager plus

Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra (in het kalenderjaar 2011) een investeringsverplichting is aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan echter niet hoger zijn dan het bedrag dat ter zake van de investeringsverplichting is betaald dan wel het bedrag van de gemaakte voortbrengingskosten.

Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2014 door de belastingplichtige in gebruik zijn genomen. Deze maatregel gold al voor investeringen gedaan in 2009 en 2010 (met ingebruikname vóór 1 januari 2012 respectievelijk vóór 1 januari 2013) en wordt met een jaar verlengd.

In Activa Manager plus kan dit gerealiseerd worden door gebruik te maken van de mogelijkheid om fiscaal en commerciëel afwijkende datums voor de ingebruikname te hanteren, lees de datum vanaf wanneer de afschrijving begint. Tijdens het invoeren van een activum, aangeschaft in maart 2011, vinkt u willekerige afschrijving aan en vult vervolgens bij fiscaal ingebruik de datum van de investeringsverplichting in en bij commerciëel ingebruik een toekomstige datum in 2011 of later.

Willekeurige afschrijvingen

Tags: 
tip

Mix van waarderingsmethoden voor vaststelling WOZ-waarde toegestaan

15 maart 2011

Samenvatting


Voor de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak bestaan –afhankelijk van het type onroerende zaak- verschillende waarderingsmethoden. De WOZ-waarde van bestaande woningen wordt in beginsel bepaald door vergelijking met soortgelijke onroerende zaken (referentieobjecten) die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De WOZ-waarde van een niet-woning wordt in beginsel bepaald door de huurwaardekapitalisatiemethode (hwk-methode).

In deze methode wordt de WOZ-waarde bepaald door de huurprijs op de waardepeildatum te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Voor bepaalde andere onroerende zaken bestaan aanvullende waarderingsregels. Hoewel eerdergenoemde waarderingsmethoden in beginsel zijn voorgeschreven voor de betreffende soorten onroerende zaken, bestaat in voorkomende situaties nog ruimte voor een andere waarderingsmethode. Illustratief hierbij is een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag. Daarbij heeft de rechtbank beslist dat een mix van de vergelijkingsmethode en de hwk-methode voor de vaststelling van de WOZ-waarde van een niet-woning weliswaar ongebruikelijk maar toch niet ongeoorloofd was.

Volledig artikel


Voor de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak bestaan verschillende waarderingsmethoden. Welke methode moet worden toegepast is in beginsel afhankelijk van het type onroerende zaak: woning of niet-woning. De Wet WOZ en daarop gebaseerde lagere regelgeving bevatten daarvoor voorschriften. Zo wordt de WOZ-waarde van een (bestaande) woning in beginsel bepaald door vergelijking met soortgelijke onroerende zaken (referentieobjecten) die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De verkoopprijzen van deze referentieobjecten vormen dan namelijk een goede toets voor de vast te stellen WOZ-waarde. Verder geldt voor referentieobjecten dat deze representatief moeten zijn voor het te waarderen object. De WOZ-waarde van een niet-woning wordt in beginsel bepaald door de huurwaardekapitalisatiemethode (hwk-methode). In deze methode wordt de WOZ-waarde bepaald door de huurprijs op de waardepeildatum te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Voor bepaalde andere onroerende zaken –zoals woningen in aanbouw en kwalificerende landgoederen- bestaan aanvullende waarderingsregels.

Rechtbank Den Haag heeft onlangs beslist dat een mix van de vergelijkingsmethode en de hwk-methode voor de vaststelling van de WOZ-waarde van een niet-woning weliswaar ongebruikelijk maar toch niet ongeoorloofd was. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.

Een man was eigenaar van enkele boven elkaar gelegen portiekwoningen met daaronder een bedrijfsruimte/rijwielstalling. De gemeente had de WOZ-waarde van de woningen op waardepeildatum 1 januari 2009 voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld met behulp van de vergelijkingsmethode. De WOZ-waarde van de niet-woning had de gemeente op twee manieren vastgesteld, namelijk door middel van een methode van vergelijking met objecten waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (vergelijkingsmethode) en door middel van een methode van kapitalisatie van de brutohuur (huurwaardekapitalisatiemethode).

De rechtbank was op basis van feiten en omstandigheden van oordeel dat de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarden voor de woningen niet te hoog waren en verklaarde het beroep op dit punt ongegrond. Anders lag het met de WOZ-waarde van de bedrijfsruimte.
De gemeente had de WOZ-waarde daarvan vastgesteld op € 65.000. De man bepleitte een WOZ-waarde van € 25.000. De rechtbank stelt voorop dat een combinatie van waarderingsmethoden, hoewel ongebruikelijk, toch niet ongeoorloofd is. Waarderingsmethoden zijn namelijk slechts hulpmiddelen bij de waardebepaling. Voor de vastgestelde waarde is uiteindelijk de waarde in vrije staat de toetssteen. Deze waarde is “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.

De rechtbank hield de door de gemeente gehanteerde vergelijkingsmethode tegen het licht en stelde vast dat het gebruikte referentieobject (een niet-woning) te veel verschilde om als referentieobject te kunnen dienen. Ook de door de gemeente toegepaste hwk-methode leidde naar het oordeel van de rechtbank tot een gebrekkige uitkomst. De gemeente had de bruto-huurwaarde niet onderbouwd met voor vergelijkingsobjecten op de markt gerealiseerde huren, maar had deze herleid uit een theoretische omzetberekening van de in de niet-woning gedreven fietsenstalling. Verder had de gemeente de hoogte van de gehanteerde huurwaardekapitalisatiefactor niet onderbouwd. De rechtbank wees daarom de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde af. Vervolgens bekeek de rechtbank of de man een voldoende onderbouwing had gegeven van de door hem voorgestane WOZ-waarde. Dat was evenmin het geval. Daarop stelde de rechtbank de WOZ-waarde naar de redelijke schatting zelf vast. Op basis van wat beide partijen hadden aangevoerd stak de rechtbank de stok in het midden en stelde de WOZ-waarde vast op € 45.000.

Bron: Rechtbank Den Haag, 17-2-2011, nr. 10/5514 (gepubliceerd 11-3-2011).

Tags: 
tip

Een alternatief voor afschrijven

De financiële gevolgen van de met ingang van 1 januari 2007 ingevoerde beperking van de afschrijving op gebouwen zijn voor de praktijk niet gering. Voor een flink aantal gebouwen, die al langer in eigendom zijn of waarop een vervangingsreserve/ herinvesteringsreserve in mindering is gebracht, zullen de nieuwe wettelijke regels de nodige gevolgen hebben. Zo zal, hetzij al direct met ingang van 1 januari 2007 of snel daarna, geen fiscale afschrijving meer mogelijk zijn, omdat de bodemwaarde al is gepasseerd. Het afschrijven houdt voor deze groep dan al snel op. Dit zal vooral gelden voor beleggingsvastgoed.
Bij nieuwe of relatief nieuwe gebouwen zal de bodemwaarde naar verwachting gemiddeld na 10 jaar na de eerste ingebruikname worden bereikt. Voor veel ondernemingen werkt een beperking in de afschrijving direct nadelig door in de kasstromen en daarmee in de liquiditeitspositie. Het zou dus interessant zijn als er alternatieve mogelijkheden waren, die de nadelige effecten van de afschrijvingsbeperking compenseren. Die mogelijkheden zijn er.

Vormen voorziening i.p.v. gemengd afschrijven

Een invulling van de fiscale jaarwinstbepaling volgens goedkoopmansgebruik (die altijd al mogelijk is geweest, maar nu extra aantrekkelijk wordt), is een ‘stelsel’ waarbij het gebouw inclusief componenten ongedifferentieerd in 50 jaar wordt afgeschreven. Bij de afschrijving van het gebouw wordt derhalve géén rekening gehouden met de versnelde slijtage van bepaalde onderdelen van het gebouw. Uit de jurisprudentie volgt dat, indien bij de jaarlijkse afschrijving géén rekening is gehouden met versnelde slijtage van bepaalde onderdelen, vervanging van die onderdelen moet worden aangemerkt als onderhoud. Hierdoor komen de uitgaven, die in dat verband worden gedaan als onderhoudskosten, in aftrek in het jaar waarin de uitgaven zich voordoen. In de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ‘Werken aan winst’ erkent de minister dit expliciet. In geval van groot onderhoud mag een onderhoudsvoorziening of een kostenegalisatiereserve (KER) worden gevormd, waaraan jaarlijks ten laste van de winst kan worden gedoteerd. In het jaar dat de onderhoudsuitgave zich voordoet, wordt de uitgave afgeboekt van de gevormde voorziening of KER. Deze systematiek geldt derhalve niet alleen voor het gebruikelijke groot onderhoud dat zich bijvoorbeeld eens in de vijf jaar voordoet, maar ook ten aanzien van zelfstandige onderdelen van een gebouw, die slechts eens in de twintig jaar vervangen dienen te worden (zoals een pui of een lift). Een stelsel, waarbij ongedifferentieerd wordt afgeschreven en door middel van een voorziening wordt gespaard voor groot onderhoud, kan onder omstandigheden bovendien voordeliger uitpakken dan gemengd afschrijven volgens de componentenleer.

Voorbeeld

Een gebouw voor eigen gebruik met een aanschafprijs van € 3.000.000 kan worden onderverdeeld in een casco met een waarde van € 2.000.000 en componenten met een waarde van € 1.000.000. We laten de grondwaarde in dit voorbeeld voor het gemak buiten beschouwing.


Op het casco mag 2% per jaar worden afgeschreven, terwijl op de componenten 5% per jaar wordt afgeschreven. Afschrijven op basis van een gemengd afschrijvingspercentage leidt tot een aftrekpost van € 40.000 over het casco en € 50.000 over de componenten, in totaal derhalve € 90.000 ofwel 3%, totdat de bodemwaarde wordt bereikt.

Een ongedifferentieerde afschrijving leidt tot een afschrijving van 2% over € 3.000.000, derhalve € 60.000, totdat de bodemwaarde wordt bereikt. Daarnaast mag echter gedoteerd worden aan een onderhoudsvoorziening ten behoeve van de vervanging van de componenten over, stel, 20 jaar. De dotatie in het eerste jaar zal circa 5% van € 1.000.000 bedragen, oftewel € 50.000. Afschrijving en onderhoudsdotatie komen tezamen derhalve uit op € 110.000. Merk hierbij op dat de jaarlijkse dotatie aan de onderhoudsvoorziening ieder jaar zal toenemen, omdat bij de dotatie tevens rekening mag worden gehouden met prijsstijgingen, die zich dat jaar hebben voorgedaan. De voorziening zal hierdoor uiteindelijk toenemen tot de vervangingskosten van de componenten. Bij een jaarlijkse inflatie van 2% zijn de kosten van vervanging na 20 jaar circa 50% hoger dan de prijs op t = 0. Merk daarnaast op dat doteren aan de voorziening ook mag in jaren waarin de bodemwaarde inmiddels is gepasseerd. Doteren aan de voorziening gaat derhalve door, waar afschrijven gestopt had moeten worden.

Doorrekenen

Als we de casus uit dit voorbeeld voor de volle 50 jaar doorrekenen, waarbij we aannemen dat de WOZ‑waarde op t = 0 gelijk is aan de aanschafprijs van € 3.000.000 en dat deze waarde jaarlijks gelijke tred houdt met de inflatie die we stellen op 2% per jaar, dan is het resultaat over 50 jaar als volgt. In een stelsel, waarbij gemengd wordt afgeschreven kan in de eerste 12 jaren worden afgeschreven en vervolgens nog in de jaren t = 20 tot en met t = 27 en t = 40 tot en met t = 46. In alle andere jaren is de bodemwaarde te hoog. De totale fiscale aftrekpost over 50 jaar bedraagt circa € 3.000.000. In een stelsel, waarbij ongedifferentieerd wordt afgeschreven en waarbij ten aanzien van de vervanging van de componenten een voorziening wordt gevormd, kan gedurende de eerste 16 jaren worden afgeschreven, in totaal circa € 940.000. Tevens kan gedurende 40 jaar gedoteerd worden aan de onderhoudsvoorziening voor in totaal € 3.750.000. De totale fiscale aftrekpost over 50 jaar bedraagt dan circa € 4.700.000. Daarnaast wordt in de tweede variant een belangrijk financieringsvoordeel behaald.

Fiscaal voordeel

Het uiteindelijke effect hangt in grote mate samen met de mate waarin het gebouw kan worden onderverdeeld in een casco en componenten. Des te meer waarde van de aanschafprijs kan worden toegerekend aan componenten, des te groter het uiteindelijke fiscale voordeel zal zijn. Merk op dat het uiteindelijke fiscale voordeel ook mede kan afhangen van de gekozen afschrijvings­termijn voor het casco. Indien in het gehanteerde voorbeeld een termijn van 40 jaar zou gelden in plaats van 50 jaar, lijkt het aannemelijk dat vanaf t = 21 geen dotatie aan de voorziening meer kan plaatsvinden, omdat de eventuele uitgaven na 40 jaar niet als onderhoud, maar als kapitaaluitgave kwalificeren.

Vormen voorziening is voordeliger

Het vormen van een voorziening is fiscaal voordeliger dan gemengd afschrijven. Dit komt wellicht over als een boude bewering, maar deze kan als volgt worden onderbouwd. De componentenleer is vervangen door de samentelregeling; het gebouw met al haar componenten (inclusief grond en aanhorigheden) wordt nu gezien als één geheel. Als gevolg van deze samentelregeling geldt ten aanzien van afschrijving op componenten nu een wettelijke aftrekbeperking. Een dergelijke beperking geldt niet voor dotaties aan een voorziening voor de vervanging van dergelijke componenten. Een tweede verklaring wordt gevonden in het feit dat ten aanzien van afschrijvingskosten worden genomen, die verband houden met een uitgave, die heeft plaatsgevonden op t = 0. In het geval een voorziening wordt gevormd, worden kosten genomen met betrekking tot een uitgave, die op t = 20 plaatsvindt, waarbij tevens tegen een laag percentage (2%) wordt afgeschreven op de historische uitgave. Een derde verklaring wordt gevonden in het feit dat afschrijving plaatsvindt op basis van historische kostprijs van de componenten, terwijl jaarlijkse dotaties aan de voorziening geschieden op basis van de vervangingswaarde van de componenten. Zeker over een langere termijn (zoals 20 jaar) maakt dit een significant verschil.

Het zoeken naar alternatieven voor afschrijven en het positieve effect wat dit kan hebben op de liquiditeitspositie is, zeker ook in de huidige tijd, zeker de moeite waard.
bron: accountancy nieuws

Tags: 
tip

Voorkom afschrijvingsbeperking op vastgoed

Sinds 2007 is afschrijven op gebouwen nog slechts toegestaan indien en voorzover de
boekwaarde van het gebouw hoger is dan de zogenoemde ‘bodemwaarde’.

De hoogte van de bodemwaarde is afhankelijk van de bestemming.

De bodemwaarde van een gebouw dat in eigen gebruik is, bedraagt 50% van de WOZ-waarde.
Is het gebouw bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld of verhuurd wordt aan derden, dan is de bodemwaarde gelijk aan 100% van de WOZ-waarde.

Er mag niet meer afgeschreven worden indien de boekwaarde de bodemwaarde heeft bereikt. Stijgt de WOZ-waarde (de bodemwaarde), dan hoeft geen winst te worden genomen.
Kunt u niet meer afschrijven op uw gebouw, beoordeel dan of de bedrijfswaarde lager is.
Het is namelijk mogelijk om het gebouw te waarderen op lagere bedrijfswaarde.

De bedrijfswaarde is de waarde die een koper van uw onderneming zou toekennen aan het pand, op basis van de overnemingwaarde van de onderneming die van plan is de onderneming voort te zetten.

In het huidige economische klimaat kan voor veel bedrijfspanden een lagere bedrijfswaarde worden verdedigd.

Tags: 
tip

Wijzigingen m.i.v. 1 januari 2011

1.16 Willekeurige afschrijving bedrijfsmiddelen
1.16.1 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil)

De Vamil biedt de mogelijkheid de investeringskosten willekeurig af te schrijven en geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). De Vamil wordt voor de jaren 2011 tot en met 2013 tijdelijk verlaagd van 100% naar 75%. De overige 25% volgt het reguliere afschrijfregime. Vanaf 2014 zal vervolgens weer 100% versneld kunnen worden afgeschreven. Per bedrijfsmiddel kan niet meer dan € 25 miljoen willekeurig worden afgeschreven.

1.16.2 Tijdelijke willekeurige afschrijving


De tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen wordt met een jaar verlengd. Dit betekent dat bedrijven die investeringen doen in het kalenderjaar 2011 deze in twee jaar kunnen afschrijven waarbij in het investeringsjaar ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven. Niet alle investeringen in bedrijfsmiddelen komen voor de tijdelijke willekeurige afschrijving in aanmerking. De belangrijkste uitzonderingen zijn investeringen in: gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa (waaronder software), bromfietsen, motorrijwielen en personenauto's. Uitgesloten zijn ook investeringen in bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om voor langere tijd ter beschikking te worden gesteld aan derden. Taxi's en zeer zuinige personenauto's mogen wel willekeurig worden afgeschreven. Een personenauto geldt als zeer zuinig als de CO2-uitstoot niet meer bedraagt dan 95 gram per kilometer bij dieselmotoren, of niet meer dan 110 gram per kilometer bij andere personenauto's. Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra (in het kalenderjaar 2011) een investeringsverplichting is aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan echter niet hoger zijn dan het bedrag dat ter zake van de investeringsverplichting is betaald dan wel het bedrag van de gemaakte voortbrengingskosten. Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2014 door de belastingplichtige in gebruik zijn genomen. Deze maatregel gold al voor investeringen gedaan in 2009 en 2010 (met ingebruikname vóór 1 januari 2012 respectievelijk vóór 1 januari 2013) en wordt met een jaar verlengd. Voor zeeschepen geldt als aanvullende voorwaarde dat niet eerder dan na 10 jaar na toepassing van de willekeurige afschrijving voor het tonnageregime kan worden gekozen. Dit voorkomt dat het mogelijk is om een onbedoeld fiscaal voordeel te creëren door de tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen een kort tijdsbestek te combineren.


1.17 Investeringsaftrek


De belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek. Deze aftrek kan de vorm hebben van een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van een energie-investeringsaftrek en van een milieu-investeringsaftrek.


1.17.1 Kleinschaligheidsinvesteringaftrek (KIA)


De KIA is bedoeld om investeringen van een beperkte omvang te bevorderen en is hierdoor vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf. Ook zeer zuinige personenauto’s, waaronder elektrische personenauto’s, komen in aanmerking voor de KIA. De belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een bedrag dat volgt uit de tabel van de winst over dat jaar aftrekken.






















Tabel: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in 2011
Investering Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek  
Niet meer dan € 2.200  0% 
 € 2.201 t/m € 54.324  28% van het investeringsbedrag  
€ 54.325 t/m € 100.600  € 15.211  
 € 100.601 t/m € 301.800  € 15.211 verminderd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat hoger is dan € 100.600 
Meer dan € 301.800  € 0  






















Tabel: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in 2010
Investering Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek  
Niet meer dan € 2.200  0% 
 € 2.201 t/m € 54.00028% van het investeringsbedrag  
€ 54.001 t/m € 100.000  € 15.120  
 € 100.001 t/m € 300.000  € 15.120 verminderd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat hoger is dan € 100.000 
Meer dan € 300.000  € 0

 

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijving, over welk bedrag

Eén van de maatregelen die is genomen ter bestrijding van de economische crisis is de tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in bedrijfsmiddelen. Deze regeling biedt de mogelijkheid om investeringen die bedrijven in 2009 en 2010 hebben gedaan voor maximaal 50% af te schrijven in het investeringsjaar. Het restant mag in een of meer van de volgende jaren willekeurig worden afgeschreven. Deze tijdelijke maatregel is met een jaar verlengd en geldt nu ook voor 2011.

Let op, Er mag afgeschreven worden over het totaal af te schrijven bedrag.

Voorbeeld aanschaf € 100.000, restwaarde € 10.000, 50% afschrijving is dan 50 % van (100.000 -/- 10.000) = € 45.000

Tags: 
tip

Willekeurige afschrijving ook in 2011

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | AFP2010/441U | 21-09-2010

Eén van de maatregelen die is genomen ter bestrijding van de economische crisis is de tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in bedrijfsmiddelen. Deze regeling biedt de mogelijkheid om investeringen die bedrijven in 2009 en 2010 hebben gedaan voor maximaal 50% af te schrijven in het investeringsjaar. Het restant mag in een of meer van de volgende jaren willekeurig worden afgeschreven. Deze tijdelijke maatregel is met een jaar verlengd en geldt nu ook voor 2011.

Tags: 
tip

Pages